verspreiding_en_trends
Verbreiten
aantalsontwikkeling
broedsucces_en_overleving
onvoldoende_gegevens_trendanalyse
seizoensvoorkomen
onvoldoende_gegevens_trendanalyse
beschrijving_voorkomen
Buiten broedtijd
Nederlandse Appelvinken overwinteren in eigen land of trekken weg in zuidelijke richting. De doortrek van oostelijker vogels kan in sommige najaren aanzienlijk zijn, vooral in het zuidoosten van het land. De doortrek begint half september, is het sterkst tussen begin oktober en half oktober, en dooft in november uit. In de winter verzamelen Appelvinken zich in bewegelijke groepen op voedselrijke plekken, niet zelden binnen stedelijke bebouwing. Het aantal overwinterende exemplaren fluctueert per winter. De voorjaarstrek vindt plaats tussen half februari en half april.
Broedtijd
De verspreiding van Appelvinken valt grotendeels samen met die van de grotere bossen, met uitzondering van Noord-Brabant waar de soort in relatief lage dichtheden broedt. De hoogste dichtheden worden gehaald in gevarieerd oud loofbos of gemengd bos, zoals in Twente, de Achterhoek en delen van de Veluwe en Limburg. De verspreiding werd sinds ongeveer 1975 veel ruimer, zowel op de hoge gronden als (mondjesmaat) in Laag-Nederland. Flevoland kende tijdelijk zelfs de misschien wel hoogste dichtheden van ons land. De landelijke aantallen groeiden tot 1995, waarna de populatie tot ongeveer 2007 stabiel bleef. Dit was mogelijk het gevolg van een gebrek aan rupsen van kleine wintervlinders, een belangrijke voedselbron voor jonge Appelvinken. Na 2007 nam de Appelvink in veel gebieden wederom toe. De toegenomen ouderdom en variatie van bomen en hogere frequentie in mastjaren van Beuk zorgen waarschijnlijk voor een gunstigere voedselsituatie.
Vogelrichtlijn
staat_van_instandhouding
svi_geenn2k1
svi_geenn2k2
svi_geenn2k3 svi_geenn2k4
Brutvogel
Der Erhaltungszustand von der Kernbeisser als Brutvogel in den Niederlanden ist favourable.
| Bewertung des Erhaltungszustands | ||||
| Verbreiten | Bevölkerung | Lebensraum | Zukunft | Endgültiges Urteil |
| favourable | favourable | favourable | favourable | favourable |
nicht brütender Vogel
Der Erhaltungszustand von der Kernbeisser als nicht brütender Vogel in den Niederlanden ist favourable.
| Bewertung des Erhaltungszustands | ||||
| Verbreiten | Bevölkerung | Lebensraum | Zukunft | Endgültiges Urteil |
| favourable | favourable | favourable | favourable | favourable |
aangewezen_gebieden
geen_aangewezen_gebieden
telrichtlijnen
Broedvogels
Methode
Territoriumkartering
Tijd van het jaar
Half Februar t/m eind Juni
Tijd van de dag
Vooral in de ochtend.
Datumgrenzen, normbezoeken en fusieafstand
| gültige Beobachtungen | normbezoeken | minimaal vereist | fusie- | |||||||||
| adult | paar | terr | nest | migrant | 1 | 2 | 3 | seizoen | datumg | datumgrens | afstand | |
| . | X | X | X | 1-12 | 13+ | 1 | 10-3 t/m 15-6 | 300 | ||||
Aanwijzingen
Alle waarnemingen van vogels in broedbiotoop (bos, regionaal ook parken en tuinen) noteren, met speciale aandacht voor zittende vogels [broedcode 1], zang ([brc 2] zacht, onopvallend), alarm (ook snavelklappen) [brc 7] en nestbouw [brc 9]. Losse paren invoeren met broedcode 3; groepsbalts in vroege voorjaar negeren, vanaf 15 maart opsplitsen in paren met broedcode 5.
Zeer lastige soort! Kennis van roepgeluiden essentieel; vooral scherp tikkend 'ptik' en contactroep hoog en gerekt 'siee', ook in vlucht. Verreweg het beste te karteren eind maart en in april; wanneer bladerdek gesloten is bijna niet meer te zien en te tellen (en bovendien bijzonder stil). Soort is niet-territoriaal (mannetje schermt vrouwtje af tegen seksegenoten maar verdedigt geen territorium) en broedt soms in losse clusters tot een tiental paren bijeen (vogels aan begin broedseizoen soms groepsgewijs in boomtoppen, daarna uiteenvallend in paren die in omgeving broeden). Enige doortrek mogelijk tot diep in april.
LET OP: hoog overvliegende vogels niet bruikbaar (voedselvluchten tot 2-3 km van nest), tenzij locatie van invallen precies te traceren is. Laag (door bos) vliegende vogel in mei en juni kan interessant zijn: mannetje voert (bedelroepend!) vrouwtje tijdens broeden, beide partners voeren nestjongen.
Vogels tijdens broeden extreem stil. Vocale opleving na uitvliegen van jongen (drukke luidruchtige bedelroepjes), maar familiegroepjes kunnen zich snel over flinke afstand verplaatsen (let op lengte staart van jongen). Jongen op leeftijd van 16-19 dagen volledig vliegvlug.
Bijzonderheden
Stand kan jaarlijks sterk fluctueren, met name in gemengd bos en naaldbos (afhankelijk van zaadzetting). In goede jaren clusters van broedparen rond gunstig biotoop. Interpretatie groepjes in boomtoppen aan begin van broedseizoen vaak lastig (paarvorming, soms overschot aan mannetjes, veel achtervolgingen). Vaak zit er niets anders op dan hoogste aantal door twee te delen (invoeren met brc 3) en te koppelen aan vervolgwaarnemingen in directe omgeving. Houd ermee rekening dat zulke vogels soms dicht bijeen broeden (verschillende paren per hectare) maar zich ook binnen een gebied met een straal van enkele honderden meters tot 1 kilometer kunnen vestigen.
Beginnend nest kan in het nog bladerloze bos vrij opvallend zijn: slordig komvormig nest op duivenplatformpje, veelal hoog in boom (soms echter nog geen 2 m in struik) in vork van tak (of oksel van zijtak tegen stam), oudervogels soms 'onbekommerd' doorbouwend ondanks waarnemer.
Broedbiologie
Vooral in rijk loofbos en gemengd bos, meer regionaal (en vaak tijdelijk) ook in naaldbos. Nestelt in bomen, minder vaak in struiken, doorgaans op een hoogte van 5 meter of hoger maar soms vanaf 1,5 meter. Eileg van half april tot begin juni, soms tot begin juli. Eén broedsel per jaar, meestal 3-6 eieren, broedduur 11-13 dagen, nestjongenperiode 11-13 dagen, jongen daarna nog maximaal twee weken in omgeving nestplaats.